Op weg naar nieuwe richtlijnen voor sportjuryleden


(bron: presentatie van Þorgeir Guðlaugsson, hoofd van de FEIF Sport Judges Committee – vertaald door Marja van Run)

Het ontwerpen en onderhouden van richtlijnen voor sportjuryleden is een van de taken van de FEIF Sport Judges Committee (sportjurycommissie). Omdat onze sport voortdurend in ontwikkeling is dienen de richtlijnen regelmatig te worden bijgesteld. Wanneer door de vele aanpassingen de richtlijnen hun scherpte zijn kwijtgeraakt, is een grote revisie noodzakelijk. De laatste keer dat deze plaatsvond was in 2000. Nu is het opnieuw nodig. Het plan is om in 2014 een nieuwe versie te lanceren. Dit artikel richt zich op de benadering, filosofie en gedachtegang achter het werk tot nu toe. Ook zullen de voorgenomen structuur en systematiek worden uitgelegd.

Op visie gebaseerd beleid

De richtlijnen zijn belangrijk gereedschap voor juryleden en worden gebruikt door ongeveer 550 sportjuryleden op meer dan 700 wedstrijden per jaar. De richtlijnen zijn echter geen privézaak van de juryleden. Omdat de manier van jureren het rijden kan beïnvloeden worden ook ruiters, trainers en instructeurs bij het ontwikkelen van de nieuwe richtlijnen betrokken. Het werken aan de richtlijnen gaat samen met andere lopende FEIF-projecten, zoals de gangendefinitie, het ethische beleid en het opschonen van het reglement. Het is belangrijk dat de richtlijnen en het FEIF-beleid met betrekking tot sport, paardenwelzijn en ethiek dezelfde principiële waarden delen, die voort moeten komen uit de visie van de organisatie. Het vormen van een op een visie gebaseerd langetermijnbeleid is cruciaal voor de geloofwaardigheid van de organisatie. Dat beleid moet helder zijn en geen tegenstrijdige signalen afgeven. Als het beleid van de organisatie het welzijn van het paard vooropstelt dan moet dat tot uiting komen in al haar regels en richtlijnen; ook die met betrekking tot bitten en overige uitrusting.

Paardenwelzijn als leidraad

Bij het reviseren van de richtlijnen is verantwoord gebruik en het welzijn van het paard één van de belangrijkste leidraden geweest. Dit is in overeenstemming met het groeiende bewustzijn over deze materie, dat zijn stempel heeft gedrukt op methodes en benaderingen in het omgaan met paarden, het trainen en het rijden in de afgelopen jaren. De kern van deze gedachtegang is de erkenning van het paard als sportpartner en de aanvaarding van onze verantwoordelijkheid voor zijn welzijn. Een wedstrijdpaard is geen sportwerktuig maar een levend dier dat mentaal en fysiek beschadigd kan raken. Winnen is mooi maar moet nooit ten koste van het welzijn van het paard gaan.

Het bewustzijn dat het welzijn van het paard altijd prioriteit moet hebben wordt door velen gedeeld; ruiters, trainers, instructeurs en juryleden bevinden zich op dezelfde weg en enkele van hun gemeenschappelijke standpunten zijn de wens om ‘blije’ paarden te zien, duurzame trainingsmethodes, lichtheid in het rijden en eerlijke wedstrijdeisen.

Kennis en een logisch systeem

Om in de sport nauwkeurige beoordelingen te kunnen maken moeten we een geschikt categoriseringssysteem hebben en kennis van de beoordelingscriteria. Dit geldt voor alle betrokkenen, niet alleen voor juryleden. Soms ontbreekt het ruiters aan kennis van regels en richtlijnen en hetzelfde geldt voor juryleden, als het gaat om basiskennis van de beoordelingscriteria. We moeten ook niet gaan denken dat onze systemen en criteria perfect zijn en er kritisch naar kijken en mogelijkheden tot verbetering zoeken.
We moeten niet bang zijn om grote vragen te stellen; hoe zinvol is onze sport werkelijk; wedijveren we in zaken die ertoe doen; weerspiegelen of stimuleren onze eisen goed rijden; richten we ons voldoende op een goede rijstijl en zit er enige logica in ons proevensysteem? In sommige gevallen, zoals de T1- finales, is de zinnigheid van de wedstrijdvorm moeilijk te zien. Voor de hoogste punten in langzame tölt

moet het paard verzameld zijn maar we verwachten ook dat het paard gereden wordt als een langeafstandspaard. Dat druist in tegen alle ideeën over verzameling en leidt tot het tegengestelde van wat we werkelijk willen zien; uitgeputte, stijve en ongelukkige paarden in plaats van lichtheid en soepelheid. We moeten ook kritisch zijn over ons proevensysteem. Op dit moment gebruiken we in alle klassen dezelfde beoordelingscriteria. Van een paard in de T7 eisen we in het eerste onderdeel hetzelfde als in de T1. Daarin ontbreekt zowel de zin als de logica. We hebben een nieuw proevensysteem nodig waarin zowel beoordelingscriteria als eisen veranderen naargelang ruiter en/of paard zich verder ontwikkelen.

Oog voor niveauverschil

Toen de eerste FIPO-regels werden gerealiseerd, waren we bezig met het reglementeren van de Europese Kampioenschappen, dus met regels voor wedstrijdruiters van het hoogste niveau. Nu wedijveren de meeste wedstrijddeelnemers op een lager niveau maar dit wordt nog steeds onvoldoende onderkend in ons wedstrijdsysteem. Dat systeem moet opnieuw worden overdacht en ontworpen, bottom-up in plaats van zoals nu top-down. Bij het nieuw uitdenken van proeven en het bepalen van de beoordelingscriteria zouden we de trainingsschaal als oriëntatiepunt kunnen gebruiken. Voor klassen gericht op jonge paarden en/of beginnende ruiters zouden we ons moeten concentreren op de lagere stappen van die schaal, zoals takt, soepelheid en de fundamentele toepassing en acceptatie van de ruiterhulpen. We zouden daarom in de T7 nooit om dezelfde langzame tölt moeten vragen als in de T1, en er is geen plaats voor verzameling en absolute balans in klassen die lager zijn dan sport A en B.

Een juiste volgorde van elementen

De juryrichtlijnen bevatten een systeem van elementen. Die elementen zijn gerangschikt in een volgorde van belangrijkheid. In onze huidige richtlijnen is eerlijk rijden het belangrijkste element. Als het rijden niet eerlijk is maar ruw, dan zijn alle lager gerangschikte elementen niet meer van belang. Met andere woorden: het zou niet uit moeten maken of een ruiter ruw rijdt op een paard met een goede of slechte takt. Als het rijden eerlijk is gaan we naar het volgende element in de rangschikking: takt en snelheid. Als de takt niet goed is zouden de lager gerangschikte elementen, zoals beweging en expressie, de beoordeling niet meer moeten beïnvloeden. Aan het einde van de lijn, als alle andere elementen goed zijn, nemen we de uitstraling mee in onze beoordeling.

In werkelijkheid wordt de bedoelde rangvolgorde van elementen vaak niet gevolgd. De volgorde van elementen wordt door elkaar gehaald en sommige ervan komen in gevaar. Een paard met veel uitstraling kan zo indrukwekkend zijn dat zelfs zijn slechte takt door de vingers wordt gezien. Dan is het element uitstraling naar de top van de rangvolgorde verschoven. Een ernstig geval van een dergelijke verwisseling is als snelheid, beweging en actie de zintuigen zo in verwarring brengen dat ruw rijden over het hoofd wordt gezien.

We kunnen voorkomen dat de elementen door elkaar gehaald worden en in gevaar komen door een veiligheidssysteem in de richtlijnen in te bouwen. Dat veiligheidssysteem is opgebouwd uit een serie firewalls. Deze zullen later worden toegelicht.


Ladderschaal

Soms beschouwen we het schaalsysteem als een ladder met gelijke treden, van 0 tot 10. Wanneer we progressie maken verwachten we dat weerspiegeld te zien in een hoger cijfer. Maar dat is niet zo rechttoe rechtaan als het misschien lijkt. Onze ladderschaal heeft geen gelijke afstand tussen de cijfers. Daardoor zal een aanzienlijke progressie slechts resulteren in een verschil in cijfer van 1⁄2 of 1 punt. Logischerwijs zal de concentratie altijd rond het midden – de gemiddelde prestatie - liggen, maar we zouden toch moeten proberen de manier van inschalen te decentraliseren. Veel van de tegenwoordige prestaties die door een gebrek aan uitzonderlijke bewegingen in de gemiddelde sectie vallen zouden hoger ingeschaald moeten worden, en prestaties in de gemiddelde sectie met slechte takt en stijfheid zouden lager ingeschaald moeten worden dan momenteel het geval is.

Helder, consequent en gebruiksvriendelijk

De huidige richtlijnen dateren uit het jaar 2000. In de tussentijd zijn veel aanpassingen gedaan om juryleden een werktuig te geven voor het oplossen van onvoorziene situaties of om nieuwe inzichten in het trainen en rijden te weerspiegelen. Door al deze wijzigingen is het niet altijd eenvoudig om het ware zwaartepunt in de richtlijnen te ontdekken en soms zijn ze inconsequent. De introductie van aftrekpunten was destijds nodig als reactie op ongewenste trends en modeverschijnselen in het rijden. Dat systeem vereist veel rekenwerk, waardoor de bruikbaarheid van de richtlijnen afneemt en verlegt de aandacht van het jurylid van evaluerende taken naar boekhouden. De structuur van de huidige richtlijnen is gebaseerd op een beschrijving van de punten. Die beschrijving is een combinatie van de elementen die worden beoordeeld. Voor het punt 6 - 6,5 zal de beschrijving iets zeggen over de takt, snelheid, soepelheid, vorm en beweging. Sommige elementen zijn in orde maar andere zouden beter kunnen. Het probleem is echter dat er altijd meer combinaties van elementen mogelijk zijn dan passen in een klein document als de juryrichtlijnen.

De nieuwe richtlijnen bevatten geen omschrijving van ieder punt, die vertelt wat er achter een 6 of 7 zit, maar zijn gericht op die elementen die er echt toe doen in een goede prestatie. Verder zouden de richtlijnen moderne inzichten ten aanzien van de sport moeten weerspiegelen, inclusief het belang van het welzijn van het paard. De richtlijnen moeten tevens zo helder mogelijk zijn, consequent en relatief

eenvoudig in gebruik. De richtlijnen zullen geen gedetailleerd manifest worden over hoe IJslandse paarden getraind en gereden zouden moeten worden en ze zullen het subjectieve karakter van de sport niet veranderen. Er zal op onze wedstrijden nog steeds ruimte zijn voor verschillende meningen en interpretaties.

Sleutelelementen en firewalls

Tijdens het beoordelen van een wedstrijdprestatie moet rekening worden gehouden met veel elementen. Sommige zijn belangrijker dan andere en deze noemen we de sleutelelementen. In de nieuwe richtlijnen zal de focus op vijf groepen van elementen liggen. In vergelijking met de huidige richtlijnen zal de nadruk veel meer liggen op rijvaardigheid en de connectie tussen paard en ruiter. Ook zal er meer gelet worden op soepelheid en de fysiologie van het paard.

Dit is een voorbeeld van hoe de nieuwe richtlijnen er uit zouden kunnen zien. Dit voorbeeld toont de algemene structuur en de systematiek maar niet de uiteindelijke inhoud of indeling. Daar wordt nog aan gewerkt. Deze pagina betreft de langzame tölt.
Links op de pagina zien we de vijf groepen van sleutelelementen. Iedere groep bevat een aantal eisen (zowel voorwaarden als beperkingen) die op een schaal van 0 tot 10 zijn geplaatst. Tussen deze eisen bevinden zich dikke lijnen, de ‘firewalls’

In dit voorbeeld zijn de richtlijnen van toepassing op de langzame tölt in alle klassen omdat dat het systeem is dat we momenteel gebruiken. Als in een nieuw uitgedacht klassensysteem voor de langzame tölt in klassen voor beginners en lichtgevorderden verschillende beoordelingscriteria gebruikt gaan worden, dan zouden gemakkelijk nieuwe richtlijnen gemaakt kunnen worden door de posities van de firewalls op te schuiven.

De ideale beoordelingsprocedure

Voordat we naar enkele voorbeelden gaan kijken om de functie van de richtlijnen uit te leggen, dient eerst de ideale beoordelingsprocedure uitgelegd te worden. Esthetische waardebepalingen, zoals het beoordelen van IJslandse paarden op sporttoernooien, zijn zeer complex door het grote aantal elementen dat erbij betrokken is. Om hun taak uit te kunnen voeren maken juryleden vaak gebruik van indicatoren en verkorte wegen. Deze zijn vaak nuttig en in sommige gevallen onvermijdelijk maar ze moeten altijd in de context van de gehele prestatie worden gezien. Op die manier is jureren als het lezen van een boek; niet letter voor letter maar in woorden en zinnen.

Bij het evalueren van een prestatie beschrijft het jurylid wat hij waarneemt. In de beschrijving gebruikt hij de termen uit de richtlijnen. Die beschrijving vertelt hem aan welke van de eisen is voldaan. Als de prestatie niet aan de eisen voldoet raakt deze een firewall. Een zeer goede prestatie zal nooit een firewall raken maar een slechte prestatie zal er vele raken. De eerste firewall die geraakt wordt – degene die als laagste op de schaal is geplaatst – zal aangeven welke score maximaal gegeven kan worden. Het uiteindelijke cijfer wordt gevonden door rekening te houden met alle plus- en minpunten van de prestatie en vervolgens te besluiten tot een cijfer binnen het bepaalde bereik.

Voorbeeld 1

Draf – langzaam tot middentempo.

Omschrijving: goede takt, uitstraling, krachtige bewegingen, goed zweefmoment, te snel, verliest de gang, ruwe correctie.

De eerste firewall die geraakt wordt is bij 2,0 omdat er ruw gereden werd. Dat is het maximaal mogelijke cijfer. Het uiteindelijke cijfer zal ergens tussen 0 en 2 liggen, afhankelijk van hoe ruw er gereden werd en in welke mate de goede kwaliteiten van de prestatie mee zullen tellen.

Voorbeeld 2

Draf – langzaam tot middentempo.

Omschrijving: goede takt, goede bewegingen, correcte vorm, soepel, ruim, energiek, goed zweefmoment, aan het bit, onbalans in hoeken, te snel, ruiter met zeer stugge handen.

Deze prestatie raakt tweemaal een firewall bij 6,0 – de eerste keer omdat de ruiter zeer stugge handen heeft en de tweede keer omdat het paard niet het vereiste tempo heeft. Het maximaal mogelijke cijfer is daarom 6. Vanwege veel goede kwaliteiten (groene stippen) zal dat waarschijnlijk ook het uiteindelijke cijfer zijn.

Het belang van firewalls

Het belangrijkste nut van de firewalls is het versterken van de structuur van de richtlijnen en het voorkomen dat belangrijke elementen gevaar lopen. Op die manier komen de richtlijnen op voor de belangen van die ruiters die echt goed presteren maar helaas soms verslagen worden door diegenen die gelauwerd worden om allerlei verkeerde redenen.

In nummer 2 van IJslandse Paarden 2014 zullen de belangrijkste verschillen tussen de oude en nieuwe juryrichtlijnen worden belicht.